Archive | August 2011

Vocabulario Holandés XII. En la casa.

12. Thuis: en casa

het aanrecht (-en): el fregadero
het appartement (-en): el piso
het bad (-en): el baño
de badkamer (-s): el cuarto de baño
de baksteen (bakstenen): el ladrillo
het balkon (-s): el balcón
de bank (-en): el sofá
het bed (-den): la cama
de bel (-len): el timbre
de benedenverdieping (-en): la planta baja
de bloempot (-ten): el tiesto
de boekenkast (-en): la estantería
de brievenbus (-sen): el buzón
het bureau (-s): el escritorio
de centrale verwarming: la calefacción
de computer (-s): el ordenador
het dak (-en): el tejado
de dakgoot (dakgoten): el canalón del tejado
de dakpan (-nen): la teja
de deur (-en): la puerta
de drempel (-s): la barrera
de fax (-en): el fax
het fornuis (fornuizen): el horno
de foto (‘s): la foto
de gang (-en): el pasillo
de garage (-s): la cochera
het gordijn (-en): la cortina
de haag (hagen): la hilera
de hal (-len): el vestíbulo
de handdoek (-en): la toalla
de hangmat (-ten): la hamaca
het hek (-ken): la valla
het huisdier (-en): el animal doméstico, el mascota
de ingang (-en): la entrada
de kachel (-s): la estufa
de kapstok (-ken): el perchero
de kast (-en): el armario
de kelder (-s): el sótano
de keuken (-s) la cocina
de kinderkamer (-s): el cuarto de los niños
de kist (-en): la caja
het kleedje (-s): la alfombra (pequeña)
de kleerkast (-en): el ropero
de klok (-ken): el reloj
het krukje (-s): el taburete
de koelkast (-en): el frigorífico
het kussen (-s): la almohada
de lade (-en, -s): el cajón
het licht (-en): la luz
de lift (-en): el ascensor
de logeerkamer (-s): la habitación de los invitados
de matras (-sen): el colchón
de moestuin (-en): el huerto
de muur (muren): la pared
de open haard (-en): la chimenea
de oprit (-ten) (la rampa de) entrada
de oven (-s): el horno
de plaat (platen): la plancha
het plafond (-s): el techo
de poort (-en): la puerta
de printer (-s): la impresora
het raam (ramen): la ventana
de radio (‘s): la radio
het rolluik (-en): la persiana
de schakelaar (-s): el interruptor
het schilderij (-en): el cuadro
de schoorsteen (schoorstenen): la chimenea
het slot (-en): la cerradura
de sofa (‘s): el sofá
de spiegel (-s): el espejo
de stekker (-s): el enchufe
de stoel (-en): la silla
de stofzuiger (-s): la aspiradora
het stopcontact (-en): el enchufe
het strijkijzer (-s): la plancha (de ropa)
de strijkplank (-en): la tabla para planchar
de studeerkamer (-s): el estudio
de tafel (-s): la mesa
het tapijt (-en): la alfombra
de telefoon (-s): el teléfono
de televisie (-s): el televisor
het toilet (-ten): el lavabo
de trap (-pen): la escalera
de tuin (-en): el jardín
de uitgang (-en): la salida
de vaas (vazen): la jarra
de vaatwasmachine (-s): el lavaplatos
het venster (-s): la ventana
de verdieping (-en): la planta
de video (‘s): el vídeo
de vuilnisbak (-ken): contenedor de basura
de waslijn (-en): el tendedero
de wasmachine (-s): la lavadora
de wastafel (-s): el lavabo
de woonkamer (-s): el salón
de zolder (-s): la buhardilla

Fuente: Neerlandes.org

Vocabulario Holandés XI. El tráfico.

11. Het verkeer: el tránsito

de achteruitkijkspiegel (-s): el retrovisor
het achterwiel (-en): la rueda trassera
de autobus (-sen): el autobús
de autosleutel (-s): la llave del coche
de bromfiets (-en): la moto
de band (-en): la rueda
de benzine: la gasolina
de bumper (-s): el parachoques
het defect (-en): la averia
de diesel: el diesel
de fiets (-en): la bicicleta
het fietspad (-en): el carril bici
de hoek (-en): la esquina
de koffer (-s): la maleta
het kruispunt (-en): el cruce
de lantaarnpaal (lataarnpalen): la farola
het licht (-en): la luz
het is groen: está verde
het is rood: está rojo
het is oranje: está naranja
links: izquierda
de moto (´s): la moto
de motor (-en): el motor
oversteken: cruzar, atravesar
de parkeerplaats (-en): el aparcamiento
parkeren: aparcar
rechtdoor: adelante
rechts derecha
de rem (-men): el freno
de ruitenwisser (-s): el limpiaparabrisas
de snelheid: la velocidad
het stoplicht (-en): el semaforo
het stuur (sturen): el volante
de taxi (‘s): el taxi
de trein (-en): el tren
het trottoir (-s): la acera
het verkeersbord (-en): la señal de tráfico
de versnelling (-en): la marcha
de versnellingsbak (-ken): la caja de cambios
het vliegtuig (-en): el avión
de voorruit (-en): el parabrisas
het voorwiel (-en): la rueda delantera
de wegwijzer (-s): el indicador
het wiel (-en): la rueda

Fuente: Neerlandes.org

Humor. El peor comercial holandés.

Hola a todos,

Un amigo me ha pasado este enlace, y la verdad es que es para partirse de las tonterías que hace el chico para vender una cerveza, que no se si esta será buena o mala pero si la veo, la pruebo, por gracioso y divertido.

Read More…

Vocabulario Holandés X. En la oficina de policía.

10. Op het politiebureau (en la comisaría):

de aanranding (-en): la agresión sexual
de aanrijding (-en): el atropello, el choque
de aanslag (-en): el atentado
aanvallen: atacar
de achtervolging (-en): la persecución
het adres (-sen): la dirección
de advocaat (advocaten): el abogado
afpersen: extorsionar
de agent (-en): el polícia
het alarm: la alarma
de acohol: el alcohol
arresteren: detener
de bandiet (-en): el bandido
bang zijn: tener miedo
het bankbiljet (-ten): el bilete (de dinero)
de bedelaar (-s): el mendigo
het bedrag (-en): el importe
bedriegen: engañar
beledigen: insultar
beschermen: proteger
beschieten: atirar
beschrijven: describir
beschuldigen: acusar
bestelen: robar
bestraffen: castigar
de bestuurder (-s): el conductor
de betoging (-en): la manifestación
het bevel (-en): el orden
bewaken: vigilar
het bewijs (bewijzen): la prueba
de boete (-s): la multa
de bom (-men): la bomba
de bomaanslag (bomaanslagen): el atentado de bomba
de brand (-en): el incendio
de buitenlander (-s): el estranjero
de controle (-s): el control
de dader (-s): el cuplable
de dief (dieven): el ladron
de diefstal (-en): el robo
doodschieten: matar a tiros
dreigen: ‘amenazar
dronken: borracho
gehoorzamen: obedecer
het geld: el dinero
de getuige: el testigo
gevaarlijk: perigrosso
het gevecht (-en): la lucha
het geweer (geweren): el fusil
het geweld: la violencia
het gezag: las autoridades
de gijzelaar (-s): el secuestrado
de handboeien: las esposas
de handlanger (-s): el cúmplice
de handtas (-sen): la bolsa
de helm (-en): el casco
helpen: ayudar
de identiteitskaart (-en): la tarjeta de identidad
de inbraak (inbraken): el robo
de inbreker (-s): el ladrón
de klacht (-en): la queja
de kogel (-s): la bala
het lawaai: el ruido
de leugen (-s): la mentira
liegen: mentir
het lijk (-en): el cadáver
het losgeld: el rescate
het mes (-sen): el cuchillo
minderjarig: menor de edad
de misdaad (misdaden): el crimen
de moord (-en): el asesinato
de moordenaar (-s): el asesino
omkopen: cohechar
de omkoping: el cohecho
(on)eerlijk: (des)honesto
het ongeluk: (-ken) el accidente
het ongeval: (-len) el accidente
(on)gewapend: (des)armado
onschuldig: inocente
(on)wettig: (i)legal
(on)zedig: (in)decente
overrijden: atropellar
de overval: (-len) el asalto
de pedofiel: (-en) el pedófilo
de politiecommissaris (-sen): el comisario de polícia
het proces-verbaal (proces-verbalen): el atestado
remmen: frenar
de revolver (-s): el revólver
de ruzie (-s): la discución
de schade: el daño
het schot (-en) el tiro
de schuld la culpa
schuldig culpado
smokkelen: contrabandear
de staking (-en): la huelga
de straf (-fen): la pena
vechten: luchar
het verbod (-en): la prohibición
het verkeer: el transito
de verkrachter (-s): el violador
de verkrachting (-en): la violación
het verzet: la resistencia
zich verzetten: resistir
de volwassene (-n): el adulto
het wapen (-s): la arma
de wet (-ten): la ley
het zakmes (-sen): a navaja

Fuente: Neerlandes.org

Vocabulario Holandés IX. En la ciudad.

09. In de stad: en la ciudad

 
 

09. In de stad en la ciudad

de ambassade (-s) la embajada
de apotheek (apotheken) la farmacia
de autosnelweg (autosnelwegen) l autostrada

de bakkerij (-en) la panadería
de banketbakkerij (-en) la pastelería
de berg (-en) la montaña
de bibliotheek (bibliotheken) la biblioteca
de bioscoop (bioscopen) el cine
de (bloemen)winkel (-s) la florista
de boekhandel (-s) la librería
de brandweer los bomberos
de brievenbus (-sen) el buzón de correo
de brouwerij (-en) la cervecería
de brug (-gen) la puente
het busstation (-s) la estación de autobuses

de camping (-s) el camping
het circus (-sen) el circo
het consulaat (consulaten) el consulado
de discotheek (discotheken) la discoteca
het dorp (-en) el pueblo
de douane la aduana
de drukkerij (-en) la imprenta
de duinen las dunas
het eiland (-en) la isla
de fabriek (-en) la fábrica
het flatgebouw (-en) el edificio de apartamentos
het fort (-en) la fortaleza
het gerechtshof (gerechtshoven) el juzgado
de gevangenis (-sen) la cárcel
de golfbreker (-s) el rompeolas
de gracht (-en) el canal (pequeño)
de grens (grenzen) la frontera
de halte (-s) la parada
de haven (-s) el puerto
de heuvel (-s) la colina
het hotel (-s) el hotel
het huis (huizen) la casa
de jachthaven (-s) el puerto deportivo
het kanaal (kanalen) el canal (grande)
het kasteel (kastelen) el castillo
de kathedraal (kathedralen) la catedral
de kazerne (-s) el cuartel
de kerk (-en) la iglesia
het kerhof (kerkhoven) el cementerio
de kledingwinkel (-s) la tienda de ropa
het klooster (-s) el monasterio
de kraaminrichting (-en) la maternidad
de krottenwijk (-en) las chabolas
de kruidenierswinkel (-s) la alimentación
de laan (lanen) la avenida
de luchthaven (-s) el aeropuerto
de markt (-en) el mercado
het meer (meren) el lago
de metropool (metropolen) la metrópoli
de meubelwinkel (-s) la tienda de muebles
de molen (-s) el molino
het monument (-en) el monumento
het museum (-s) el museo
het natuurreservaat (natuurreservaten) la reserva natural
de overweg (-en) el paso a nivel
het paleis (paleizen) el palacio
het park (-en) el parco
het parlement el parlamento
het pension (-s) el pensión
het plein (-en) la plaza
het politiebureau (-s) la comisaría
het pompstation (-s) la gasolinera
het restaurant (-s) el restaurante
de rivier (-en) el rio
de schoenenwinkel (-s) la zapatería
de school (scholen) la escuela
de slagerij (-en) la carnicería
het sportcentrum (-s) el centro deportivo
het stadhuis (stadhuizen) el ayuntamiento
het standbeeld (standbeelden) la estátua
het station (-s) la estación
het stort (-en) el vertedero
de straat (-en) la calle
het strand (-en) la playa
de supermarkt (-s) el supermercado
het theater (-s) el teatro
het toerisme el turismo
de universiteit (-en) ”la universidade’
de viaduct (-en) elo viaducto
de villa (‘s) la vivienda
het voetbalstadion (-s) el estadio de fútbol
de vuurtoren (-s) el faro
het warenhuis (warenhuizen) el hipermercado
de wasserij (-en) la lavandaria
de weg (wegen) la carretera
de wijk (-en) el barrio
het winkelcentrum (-s) el centro comercial
de wolkenkrabber (-s) el rascacielos
de zee (zeeën) el mar
het ziekenhuis (ziekenhuizen) el hospital
de zoo (‘s) el parque zoológico
het zwembad (zwembaden) la piscina

Vocabulario Holandés VIII. En la tienda de ropa.

In de kledingwinkel: en la tienda de ropa

 8. In de kledingwinkel: en la tienda de ropa

de aankoop: la compra
aantrekken: vestirse
de badjas (-sen): la bata de baño
het badpak (-ken): el traje de baño
de bikini: el bikini
blauw: azul
de (bont)jas (-sen): el abrigo de pieles
de broek (-en): el pantalón
de korte broek: el pantalón corto
bruin: marrón
de das (-sen): la corbata
geel: amarillo
grijs: gris
groen: verde
de gulp (-en): la bragueta
de handschoen (-en): el guante
het hemd (-en): la camiseta
de hoed (-en): el sombrero
de jurk (-en): el vestido
het katoen: el algodón
de kleur (-en): el color
knellen: apretar
de koopjes: la ganga
de kous (-en): la media
krimpen: encogerse
de laars (laarzen): la bota
het leer: el cuero
lelijk: feo
de mantel: el abrigo
de mode: la moda
het model (-len): el modelo
modern: moderno
mooi bonito
de nylon: el nylon
de onderbroek (-en): la braga
oranje: naranja
het overhemd (-en): la camisa
paars: color violeta
de pantoffel (-s): la zapatilla
het pashokje (-s): el probador
de paskamer (-s): el probador
passen probar la ropa
de prijs (prijzen): el precio
de riem (-en): el cinturón
de rok (-ken): la falda
rood: rojo
roze: rosa
het rubber: la goma
de schoen (-en): el zapato
het slipje (-s): los calzoncillos
de sok (-ken): los calcetines
de spiegel (-s): el espejo
de spijkerbroek (-en): los vaqueros
sportief: deportivo
strak: ajustado
de trui (-en): el jersey
het T-shirt (-s): la camiseta
de wol: la lana
zwart: negro
de zwembroek (-en): el bañador

Fuente: Neerlandes.org

Vocabulario Holandés VII. En la tienda de comestibles.

*Bij de kruidenier (en la tienda de comestibles-mercería):

 de aansteker: el mechero
de after-shave: el after-shave
het afwasmiddel: el detergente líquido
de anijs: el anís
het anti-kalk product: la pastilla anti calcio
het appelsap: el zumo de manzana
de azijn: el vinagre
de babyvoeding: la comida para bébé
het badschuim: el gel de baño
de batterij (-en): la pila
de beschuit (-en): el bizcocho
de bezem (-s): la escoba
het bleekwater: la lejía
het blikje (-s): la lata
de boter: la mantequilla
de caissière (-s): la cajera
de cassette (-n, -s) la cassete
de chips: la patata frita
de choco: la pasta de chocolate
de chocolade: el chocolate
de cola (‘s): la coca-cola
het condoom (-s): el preservativo
de confituur: la dulce
de crème: la creme
de deodorant (-en, -s): el desodorante
de doos (dozen): la caja de embalaje
de douchegel: el gel de ducha
het dozijn: la docena
de dweil (-en): la fregona
het ei (eieren): el huevo
de enveloppe (-n): el sobre
de fles (-sen): la botella
de gist: la levadura
de gloeilamp (-en): la bombilla
de gram: el gramo
de haarlak: la laca
de ham: el jamón
de gerookte ham: jamón ahumado
het hondenvoer: la comida para perro
het insecticide (-n): el insecticida
de jam: la mermalada
de jenever: la ginebra
de kaars (-en): la vela
de kaas (kazen): el queso
de geraspte kaas: el queso rallado
de smeerkaas: el queso fundido
de geitenkaas: el queso de cabra
het, de kaneel: la canela
het karton (-s): el embalaje de cartón
de kassa (‘s): la caja (para pagar)
het kattenvoer: la comida para gato
de kauwgum (-s): el chicle
de kerrie: el curry
het kilo: el kilo
de klant (-en): el cliente
het koekje (-s): la galleta
de koffie:el café
het krat (-ten): la caja (de botellas)
het kruid (-en): la hierba
de fijne kruiden: la hierbas finas
de likeur: el licor
de lippenstift: el rojo de labios
de laurier: el laurel
de lucifer (-s): el fósforo
de luier (-s): el pañal
het maandverband: la compressa higiénica
de make-up: el maquillaje
het mandje (-s): la cesta
de marcepein: el mazapán
de margarine: la margarina
de mayonaise: la mayonesa
de mee:l la harina
de melk: la leche
de magere melk: la leche magra
de halfvolle melk: la leche semidesnatada
de volle melk: la leche entera
de muskaatnoot: la nuez moscada
de olie: el aceite
de olijfolie: el aceite de olivas
het paneermeel: el pan rallado
de pasta: la pasta
de peper: la pimienta
de peperkoek (-en): el pan de miel
de pepermunt: la pastilla de menta
de pili-pili: el pilipilio
de pindakaas: la mantequilla de cacahuete
de portwijn: el vino de oporto
het potje (-s): el envase
de praline (-s): la pralina
de room: la nata
de rozemarijn: el romero
de saffraan: el azafrán
de salami: el salami
het scheermesje (-s): la hoja de afeitar
de scheerzeep: la espuma de afeitar
de schoensmeer: la crema para el calzado
het schoonmaakproduct (-en): artículo de limpieza
de shampoo (-s): el champú
de sigaret (-ten): el cigarro
het snoepje (-s): el caramelo
de stroopwafel (-s): el barquillo relleno de melaza(goffre).
de suiker: el azucár
het talkpoeder: los polvos de talco
de tampon (-s): el tampón
de tandenborstel (-s): el cepillo de dientes
de tandpasta: la pasta de dientes
de thee: el té
de tijm: el tomillo
het toiletpapier: el papel higiénico
de tomatensaus: la salsa de tomate
de trappist: el trapista (cerveza)
de vleeswaren: los embutidos
het vruchtensap: el zumo
het wagentje (-s): el carrito
de wasknijper (-s): la pinza
het waspoeder: el detergente (de lava-ropa)
het water: el agua
de wijn: el vino
de winkeljuffrouw (-en): la dependienta
de worst (-en): la salchicha
de droge worst: el embutido
de yoghurt: el yoghúrt
het zakdoekje (-s): el pañuelo
de zeep: el jabón
het zout: el sal
het zuivelproduct: el producto lácteo